Termen

de verandering in Ie Sicht

Bakboord-Stuurboord

Een skûtsje dat het zeil aan de linkerkant van het schip (gezien vanaf het achterdek) heeft hangen, vaart over bakboord. Een skûtsje met het zeil aan de rechterkant moet voorrang verlenen. (Ezelsbruggetje: In het woord stuurboord zitten twee r’s dus rechts).

Ruimte bij de boeiB5

Wanneer meerdere skûtsjes tegelijk bij een boei arriveren, dan heeft het skûtsje dat aan de binnenkant vaart, dus het dichtst bij de boei, voorrang. De andere moeten ruimte geven.

Loeven

Wanneer een skûtsje ingehaald wordt, mag het ingehaalde skûtsje naar de wind toe sturen om te voorkomen dat de inhalende concurrent hem boven de zeilen komt en dus de wind uit de zeilen neemt. Het loefrecht is echter beperkt, want op een bepaald moment moeten beide weer de rechte koers naar het merkteken sturen.

Valse start

Het skûtsjesilen kent twee vormen van valse start. In de eerste plaats als er drie of minder schepen te vroeg over de startlijn gaan. Deze kunnen terug worden geroepen. Op het start schip klinkt een toeter en er worden borden met nummers getoond. Gaan er meer dan drie schepen te vroeg weg, dan volgt er een algehele terugroep. Na enkele minuten begint de startprocedure opnieuw.

Indringstart

Een van de meest ingewikkelde zaken tijdens een wedstrijd is de indringstart. Doorgaans vindt die plaats in de omgeving van het startschip omdat daar de meeste schepen vertrekken. Een schipper probeert zich dan te wringen tussen de startboei en het schip dat zich het dichtst bij die boei bevindt. Die laatste vaart meestal hoog aan de wind, terwijl de ‘indringer’ met snelheid en ‘een knik in de schoot’ op de boei aankomt.Dsc00038

Aan de wind

Het skûtsje vaart bijna tegen de wind in.Het rak moet laverend worden afgelegd. Wie hoger aan de wind dan de concurrent kan varen, wint meters.

Ruimwinds

Dit is de situatie tussen aan de wind en voor de wind.

Zwaarden

Een belangrijk onderdeel van een skûtsje is het zwaard. Aan beide kanten van het schip zit zo’n ‘ear’. Omdat een skûtsje niet over een kiel beschikt, moet er dus iets zijn wat de kracht van de wind overbrengt naar een voorwaartse beweging. Dat doet het zwaard. Tijdens het zeilen wordt het zwaard ‘gestoken’ aan de zijde waar het zeil hangt; het zwaard aan de andere kant wordt opgetrokken om de weerstand te verminderen.

Lager wal

Met lager wal wordt bedoeld de wal waar de wind naar toe blaast. Hier zijn de golven het hoogst. Het tegenovergestelde is de hoge wal, waar dus de wind vandaan komt. Hier ondervindt een schip dus minder weerstand van de golven.

Platbodem

Een skûtsje heeft een platte onderkant. Dat was vroeger nodig om in de ondiepe slootjes te kunnen varen. De schippers moesten mest of terpaarde halen of brengen naar boerderijen die alleen via waterlopen met weinig diepgang te bereiken waren.